Bestuursrechter toetst voortaan indringender aan het evenredigheidsbeginsel

De grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 2 februari 2022 een voor de praktijk belangrijke uitspraak gedaan over de (wijze van) toetsing door de bestuursrechter van (onder andere planologische) besluiten aan het evenredigheidsbeginsel (zie: ECLI:NL:RVS:2022:285).

De uitspraak volgt op een eerdere conclusie van de staatsraden advocaat-generaal van de Raad van State, Wattel en Widdershoven, over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel door de bestuursrechter. (meer…)

2022-02-15T15:10:15+01:00

De Hoge Raad bevestigt: coronamaatregelen van de overheid kunnen huurder recht geven op huurprijsvermindering

Het langverwachte arrest van de Hoge Raad is verschenen. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van een onvoorziene omstandigheid (art. 6:258 BW) als een huurder, die voor zijn omzet afhankelijk is van de komst van publiek, als gevolg van overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie de door hem gehuurde 290-bedrijfsruimte niet of slechts in geringe mate kan exploiteren. Dit betekent dat de rechter de huurovereenkomst kan aanpassen door de huurprijs te verminderen.

Dit geldt voor huurovereenkomsten gesloten voor 15 maart 2020. Voor nadien gesloten overeenkomsten dient per geval te worden beoordeeld of sprake is van een onvoorziene omstandigheid. (meer…)

2021-12-24T14:44:31+01:00

Hoogste bestuursrechters worden steeds burgervriendelijker

De hoogste bestuursrechter blijft burgervriendelijke uitspraken wijzen. Bestuursrechters toetsen vanaf nu niet meer ambtshalve of een bezwaar of beroep tijdig is ingediend. Als de andere procespartijen dat niet doen, doet de rechter het dus ook niet. Blijven opletten dus. Dat volgt uit een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Thom Groot bespreekt deze uitspraak en de betekenis voor de vastgoedpraktijk in het Vastgoedjournaal. Meer weten? Download de publicatie hier.

2021-08-09T16:07:07+02:00

Niet babbelen maar de leiding nemen: een terugblik op de Bouwagenda

De Bouwagenda is niet meer. Opgericht voor vier jaar, op verzoek van de rijksoverheid, presenteerde de Bouwagenda op 28 maart 2017 haar programma: bouwen aan de kwaliteit van leven. Op 18 maart 2021 kwam de Bouwagenda ten einde met een digitaal slotevenement. Het doel van de Bouwagenda was om een antwoord van de bouwsector te vinden op de grote uitdagingen van deze tijd: klimaatverandering en uitputting van grondstoffen. Voorzitter van de taskforce Bouwagenda, Bernard Wientjes, riep in 2017 de bouw alvast op niet te wachten op de Bouwagenda, maar zelf aan de slag te gaan: ‘Mijn advies aan iedereen in de bouw: wacht niet af, maar neem de leiding.’

In deze column een korte terugblik op de Bouwagenda, zijn er tastbare juridische resultaten? en een vooruitblik: hoe nu verder? Klik hier voor het volledige artikel dat gepubliceerd is in het Tijdschrift voor Bouwrecht.

2021-07-13T11:01:43+02:00

Aanbeveling: pas rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel aan

Vandaag hebben de staatsraden advocaat-generaal van de Raad van State, Wattel en Widdershoven, een belangwekkende conclusie genomen over de evenredigheidstoets door de bestuursrechter. De conclusie gaat in op de vraag hoe indringend de bestuursrechter bestuurlijke maatregelen (zoals een woningsluiting of een dwangsom) moet toetsen en wat daarbij de betekenis is van het evenredigheidsbeginsel.

Kort samengevat komt de aanbeveling van Wattel en Widdershoven er op neer dat de bestuursrechter de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel moet aanpassen. Zij vinden dat de bestuursrechter de intensiteit van de toetsing van bestuurlijke maatregelen meer moet laten afhangen van de concrete belangen die bij een besluit zijn betrokken. Daarnaast vinden Wattel en Widdershoven dat de bestuursrechter een bestuurlijke maatregel ook aan het evenredigheidsbeginsel moet kunnen toetsen als de wet bepaalt dat de maatregel moet worden opgelegd (dus bij gebonden beschikkingen).

Meer oog voor menselijke maat
Kortom, de bestuursrechter moet bij het toetsen van bestuurlijke maatregelen meer oog moet hebben voor de menselijke maat. Gelet op de recente toeslagenaffaire, waarin de Belastingdienst onevenredig grote bedragen van ouders terugvorderde, is de conclusie van vandaag geen toeval.

Betekenis voor de vastgoedpraktijk
De conclusie gaat vooral over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in het geval van bestuurlijke maatregelen (zoals een woningsluiting of een dwangsom), waarbij de belangen van derden niet of in mindere mate een rol spelen. In de conclusie wordt echter ook kort iets gezegd over de toetsing in het ruimtelijke ordeningsrecht (of: planologisch omgevingsrecht), waarin de belangen van derden meestal wel (op de voor- of achtergrond) betrokken zijn. Uitgangspunt in het ruimtelijke ordeningsrecht is en blijft dat overheden een grote mate van beoordelings- en beleidsruimte hebben. Gemeenten bepalen in belangrijke mate zelf wat moet worden begrepen onder een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Indringender toetsen
Toch valt op grond van deze conclusie te verwachten dat de bestuursrechter ook op de terrein van het ruimtelijke ordeningsrecht besluiten indringender zal gaan toetsen. De rechter zal daarbij beter onderzoeken in hoeverre algemene en particuliere belangen zijn betrokken bij de besluitvorming en in hoeverre die belangen serieus zijn meegewogen. Een goed voorbeeld van een zaak waarin de Raad van State dit al heeft laten zien, is de uitspraak van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1424). In die uitspraak toetste de Raad van State veel kritischer dan voorheen of de door de gemeenteraad aangevoerde argumenten voor de weigering om een bestemmingsplan voor een nieuwe supermarkt vast te stellen voldoende zwaarwegend zijn.

Verbetering van de kwaliteit van de besluitvorming
De consequentie van deze conclusie zal zijn dat gemeenten en vastgoedontwikkelaars bij de vaststelling van bestemmingsplannen en de verlening van omgevingsvergunningen – maar ook bij de weigering daarvan – beter in beeld zullen moeten brengen welke algemene en particuliere belangen een rol kunnen spelen bij de besluitvorming en welk gewicht daaraan moet worden toegekend en waarom. De gemeente moet deze belangen op zorgvuldige wijze betrekken en meewegen bij de besluitvorming. Naar verwachting zal dit leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de besluitvorming. Het zal echter ook betekenen dat gemeenten en vastgoedontwikkelaars meer werk moeten maken van de voorbereiding van ruimtelijke besluiten. Doen zij dat niet, dan zullen zij er meer dan voorheen rekening mee moeten houden dat het besluit bij de bestuursrechter onderuit gaat.

Voor vragen, opmerkingen of meer informatie kunt u contact opnemen met mr. M.H.J. van Driel of mr. T. Groot. Klik hiervoor het gepubliceerde artikel op www.vastgoedjournaal.nl.

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld aanvaardt Stijl B.V. geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene kennisname en kan niet worden beschouwd als advies.

2021-07-07T15:42:36+02:00

De wet en de rechter leggen de lat hoog in het omgevingsrecht

De overheid probeert al jaren het bestuursrecht eenvoudiger en duidelijker te maken voor burgers en bedrijven. Dat lukt niet altijd even goed. Het omgevingsrecht met verschillende vergunningen en toestemmingen blijft ingewikkeld. Professionele rechtsbijstand is steeds vaker nodig. Zeker indien de ondernemer een beroep doet op (vermeende) toezeggingen van de overheid.

Uit een recente handhavingszaak van de Raad van State blijkt dat bedrijven snel verstrikt kunnen raken in het bestuursrecht. Bijvoorbeeld als zij het exacte verschil tussen een omgevingsvergunning voor bouwen en een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik niet helder op het netvlies hebben staan. Goede en tijdige voorlichting is dan nodig.

Wat is er aan de hand in deze zaak en welke lessen kunnen bedrijven hieruit trekken?
Het gemeentebestuur van Amsterdam treedt handhavend op tegen een onderneming. De onderneming gebruikt namelijk een pand in de binnenstad als Wok to Walk-restaurant in strijd met het bestemmingsplan. Maar volgens de onderneming zou het gemeentebestuur hebben toegezegd dat niet handhavend zou worden opgetreden. De onderneming beroept zich daarbij onder meer op twee eerder verleende omgevingsvergunningen voor (ver)bouwen van het restaurant.

Geen harde toezeggingen

De Raad van State leest hierin echter geen harde toezeggingen van de overheid. Deze omgevingsvergunningen hebben namelijk geen betrekking op het gebruik van het pand, maar op het (ver)bouwen van het pand tot restaurant. De onderneming had volgens de Raad van State moeten beseffen dat die vergunningen alleen zagen op bouwkundige werkzaamheden en niet zagen op het gebruik als restaurant omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan.

Lat ligt hoog
De Raad van State gaat blijkbaar zo ver dat ondernemingen bekend moeten zijn met het feit dat omgevingsvergunningen kunnen zien op gebruik enerzijds en bouwen anderzijds. Voor een onderneming legt de lat dus hoog qua begrip dat hij moet hebben van aan hem verleende omgevingsvergunningen. Een toestemming van het gemeentebestuur voor bouwen betekent nog geen toestemming voor het gebruik van het verbouwde als restaurant (in strijd met het bestemmingsplan). Ook al was de verbouwing duidelijk bedoeld om het pand als restaurant te gebruiken. Voor het gebruik is nog een omgevingsvergunning nodig.

Maar waar moet een ondernemer dat lezen? Niet op de website van de gemeente in ieder geval en ook niet in de al verleende omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen. De ondernemer moet de wet maar zelf uitleggen. Voor een horecaondernemer die ook gaat (ver)bouwen geen dagelijkse kost. De wet en de rechter leggen de lat hoog. Wellicht wordt het tijd om ondanks alle initiatieven om de wet duidelijker te maken, in ieder geval de voorlichting over de wet duidelijker te maken.

Thom Groot is als advocaat (omgevingsrecht) verbonden aan Stijl Advocaten in Amsterdam. Voor vragen: groot@stijladvocaten.nl of 06-24427501

Klik hier voor het gepubliceerde artikel op www.vastgoedjournaal.nl.

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld aanvaardt Stijl B.V. geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene kennisname en kan niet worden beschouwd als advies.

2021-06-14T11:06:08+02:00

Tweede belangrijke uitspraak voor ontwikkelaars en overheden over omgevingsrechtelijke besluiten

Ook niet-belanghebbenden bij een bestemmingsplan, omgevingsvergunning en – soms ook – een natuurvergunning krijgen toegang tot de bestuursrechter, als zij een zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend. Dat blijkt uit een uitspraak van de Raad van State van vandaag. Zo kan er nu ook door niet- belanghebbenden beroep worden ingediend tegen bepaalde omgevingsrechtelijke besluiten. Michiel van Driel van Stijl advocaten gaat in op de zaak.

De eerdere uitspraak, waarbij belanghebbenden bij een bestemmingsplan, omgevingsvergunning of natuurvergunning ruimer toegang krijgen tot de bestuursrechter duidde Michiel van Driel van Stijl Advocaten al eerder. Klik hier om het te lezen.

Ben je geen belanghebbende bij een bestemmingsplan, omgevingsvergunning of watervergunning, maar je wilt daartegen toch beroep indienen bij de bestuursrechter? Dan kan dat. Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van vandaag. Maak je als niet-belanghebbende gebruik van een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure, die voor iedereen open staat, dan mag je bij de bestuursrechter tegen het besluit procederen, zowel tegen de procedure als tegen de inhoud van het besluit.

Tóch beroep indienen bij de bestuursrechter
In verband met het Aarhus-verdrag, dat onder meer de toegang tot de rechter regelt in besluiten over milieu- aangelegenheden, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak vandaag uitgesproken (zaaknummer ECLI:NL:RVS:2021:953) dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (zienswijzenprocedure) is toegepast, die voor iedereen open stond, ook niet- belanghebbenden voortaan beroep kunnen indienen bij de bestuursrechter als zij een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit. Ook de niet-belanghebbende die verschoonbaar geen of te laat een zienswijze heeft ingebracht tegen het ontwerpbesluit zal niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is en kan dus beroep indienen bij de bestuursrechter.

Omgevingsrechtelijke besluiten, tegen het ontwerp waarvan iedereen zienswijzen mag indienen
Deze verruiming van de beroepsmogelijkheid voor niet-belanghebbenden beperkt zich tot de gevallen dat iedereen – belanghebbende of niet – tegen het ontwerpbesluit zienswijzen had kunnen indienen. In de wet is bijvoorbeeld bepaald dat iedereen tegen het ontwerp van een bestemmingsplan of tegen het ontwerp van een omgevingsvergunning een zienswijze kan indienen. Dit geldt ook voor bepaalde besluiten op grond van de Waterwet, Mijnbouwwet, Tracéwet, Wet luchtvaart en Ontgrondingenwet. Voor bijvoorbeeld een natuurvergunning volgt dat niet automatisch uit de Wet natuurbescherming, maar is dat pas het geval als de provincie daartoe heeft besloten. Dat betekent dat in sommige provincies iedereen tegen een ontwerpnatuurvergunning een zienswijze kan indienen, dus ook niet-belanghebbenden, en dat deze niet- belanghebbenden daarna beroep mogen indienen bij de bestuursrechter tegen de verleende natuurvergunning.

Deze uitspraak geldt totdat de wetgever een nieuwe wettelijke regeling heeft vastgesteld en deze in werking is getreden.

In de praktijk
Voor de praktijk betekent dit dat overheden en ontwikkelaars (of andere partijen) maar beter niet te vroeg juichen als alleen niet-belanghebbenden tegen een besluit beroep hebben ingediend. Ook deze beroepen zijn ontvankelijk en kunnen dus leiden tot een vernietiging of schorsing van het besluit. Wel merkt de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak terecht op dat niet-belanghebbenden vaak het relativiteitsvereiste op hun weg zullen vinden. Op grond hiervan kan iemand geen succesvol beroep doen op een rechtsregel als die niet is geschreven om zijn belangen te beschermen. Naar verwachting beperkt dit de kansen van een niet- belanghebbende op een succesvol beroep bij de bestuursrechter.

Voor vragen, opmerkingen of meer informatie kunt u contact opnemen met mr. M.H.J. van Driel. Klik hier hier voor het gepubliceerde artikel op www.vastgoedjournaal.nl.

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld aanvaardt Stijl B.V. geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene kennisname en kan niet worden beschouwd als advies.

2021-05-06T15:28:00+02:00

Onderwijs in coronatijd ‘Wij willen de klas weer in!’

Truke den Uyl-Slagter werd geïnterviewd voor het magazine Mr. over de voor- en nadelen in het (juridisch) onderwijs in Coronatijd: “Stijl Advocaten ziet er nauwgezet op toe dat iedereen zijn juridische kennis bijhoudt en de benodigde punten behaalt. Dit gebeurt nu alleen niet meer op kantoor maar online. Het is efficiënt en makkelijk in te plannen.” Klik hier voor het volledige artikel.

2021-03-10T14:05:42+01:00

Duidelijkheid over inwerkingtreding Omgevingswet gewenst

De Omgevingswet zou al in 2018 in werking treden. De wet gaat een groot aantal wetten over ruimtelijke ordening, bouwen, milieu en natuur vervangen en zou toegang tot het recht voor de burger en de bouwer vergemakkelijken. De inwerkingtreding wordt echter steeds uitgesteld. Dat geeft onzekerheid. Daardoor worden projecten uitgesteld. Ontwikkelaars, maar ook gemeenten weten niet waar ze aan toe zijn. Door het grote tekort aan woningen is dat onwenselijk. De nieuwe ingangsdatum is 1 januari 2022. Maar weer dreigt uitstel.

De verantwoordelijk minister Ollongren wil graag vasthouden aan 1 januari 2022. De Eerste Kamer is kritisch. Zij vreest voor mislukking van de grootste wetgevingsoperatie sinds de invoering van de Grondwet in 1848. Het digitale stelsel van de Omgevingswet zou nog niet op orde zijn en de kosten zouden de pan uit rijzen.

Digitale stelsel
In november 2020 schreef het Bureau ICT-Toetsing over het digitale stelsel van deze wet: “Kritieke onderdelen van (het digitaal stelsel) zijn niet af (…). Bovendien moet nog veel werk verricht worden voor inwerkingtreding en hebben we zorgen over de realisatie van de bestuurlijke ambitie”. Ook de Raad van State is kritisch over de snelheid waarmee de wet wordt ingevoerd: “Het advies is om de Omgevingswet pas in werking te laten treden als zeker is dat alle gemeenten op het moment van inwerkingtreding op het (digitaal stelsel) zijn aangesloten en alle functies die bij de minimale invulling van het (digitaal stelsel) horen, goed werken”.

KPMG becijferde eind 2020 dat de invoeringskosten oplopen tot €1,5-1,8 miljard. Het merendeel van die kosten moeten de gemeenten dragen. Inzicht in de totale kosten van de Omgevingswet ontbreekt echter. Ook daarom is de Eerste Kamer huiverig om de wet snel in werking te laten treden. De stemming in de Eerste Kamer is om die reden aangehouden. Verder uitstel van de inwerkintreding van de Omgevingswet dreigt, zeker nu het kabinet demissionair is.

Rechtsonzekerheid voor gemeenten en de markt
Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft zorgen. De VNG benadrukt dat “het voor gemeenten van belang (is) om dit voorjaar, bij voorkeur uiterlijk 1 mei 2021, duidelijkheid te krijgen over de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de ingezette trajecten op het gebied van gebiedsontwikkeling geen hinder ondervinden van de invoering van de Omgevingswet”.

Niet alleen gemeenten, ook de markt is gebaat bij duidelijkheid. De ontwikkeling van vastgoedprojecten duurt in Nederland jaren. Alleen al de voorbereiding van een bestemmingsplan duurt bij complexe (woning)bouwprojecten al snel een jaar of langer. Daarnaast kampt de vastgoedmarkt in deze tijden ook met grote onzekerheden als gevolg van de stikstof- en PFAS-problematiek en stijgende grondprijzen. Daar komt nu bij dat gemeenten en projectontwikkelaars bij nieuwe projecten twijfelen welk wettelijk instrument zij moeten gebruiken. Is dat het huidige bestemmingsplan, een bestemmingsplan ‘verbrede reikwijdte’ als experimentele voorloper van een omgevingsplan of een nieuw omgevingsplan? Een achteraf verkeerde keuze omdat de Omgevingswet wederom wordt uitgesteld levert grote vertraging op. Vertraging betekent minder woningen.
Alle politieke partijen zijn het er over eens dat Nederland een tekort aan woningen kent. Tijd dus om een keuze te maken en de markt en gemeenten zekerheid te bieden. Zonder duidelijkheid vertraagt de bouw.

Hoe eerder hoe beter
Het is dan ook van groot belang dat de Eerste Kamer en de regering op korte termijn duidelijkheid geven over de datum waarop de Omgevingswet in werking treedt. Hoe eerder hoe beter. Beslis bij voorkeur nog voor de verkiezingen of de wet op 1 januari 2022 in werking treedt of niet. Wordt de Omgevingswet nogmaals uitgesteld, hanteer dan een ruime termijn van inwerkingtreding van bijvoorbeeld 3 jaar. Dat geeft lucht in de markt en ruimte om door te werken met de huidige wetgeving. Dat komt de (woning)bouw ten goede. Uitstel met steeds zes maanden of een jaar vergroot de onzekerheid en werkt vertragend voor de bouw en de woningmarkt.

Voor vragen, opmerkingen of meer informatie kunt u contact opnemen met mr. M.H.J. van Driel of mr. T. Groot. Klik hier voor het gepubliceerde artikel op www.vastgoedjournaal.nl.

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld aanvaardt Stijl B.V. geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene kennisname en kan niet worden beschouwd als advies.

2021-02-09T15:45:15+01:00

Delegatie van de bevoegdheid tot subsidieverlening door college aan privaatrechtelijke rechtspersoon niet mogelijk

Op 27 januari 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een voor de subsidiepraktijk belangrijke uitspraak gedaan over het op afstand plaatsen van subsidieverlening (ECLI:NL:RVS:2021:176). De Afdeling heeft geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot subsidieverlening niet kan delegeren aan een privaatrechtelijke rechtspersoon. De Gemeentewet staat daaraan in de weg.

Breed bestaande behoefte om subsidieverlening op afstand te plaatsen

Veel gemeenten kiezen ervoor om de uitvoering van een subsidieregeling en de beoordeling van subsidieaanvragen bewust op afstand te plaatsen van het openbaar bestuur. Daar kunnen uiteenlopende redenen voor zijn. Zo kan voor een beoordeling van de subsidieaanvraag bijzondere technologische of commerciële expertise vereist zijn, die de overheid zelf niet in huis heeft. Op het terrein van culturele subsidies wordt vaak gekozen voor het op afstand plaatsen van de subsidieverlening uit de overtuiging dat de overheid zich niet moet bemoeien met de beoordeling van artistieke waarden. Een van de overheid onafhankelijke partij kan hierin objectievere, van politieke motieven gevrijwaarde beoordelingen maken. Ook de gemeente Eindhoven heeft ervoor gekozen het verlenen van culturele subsidies op afstand te plaatsen.

Wat ging er aan de uitspraak vooraf?

De uitspraak van 27 januari 2021 is het vervolg op een eerdere uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:413). In die zaak ging het om een subsidie die Stichting Cultuur Eindhoven (SCE) had verleend aan de Stichting Openbare Bibliotheek Eindhoven. De door SCE verleende subsidie was, als gevolg van de toepassing van een korting, lager dan het door de bibliotheek aangevraagde bedrag. De bibliotheek kwam daarom op tegen de subsidieverlening. In de procedure die volgde kwam de vraag aan de orde of SCE überhaupt bevoegd was om subsidie te verstrekken. De Afdeling kwam tot de conclusie dat dit niet het geval was. SCE is weliswaar een bestuursorgaan (een zgn. ‘b-orgaan’) en kan dus besluiten nemen waartegen bezwaar en beroep open staat, maar de vereiste wettelijke grondslag om subsidie te kunnen verlenen ontbrak. Het besluit tot subsidieverlening was daarom in strijd met artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel bepaalt dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. De Subsidieregeling, op basis waarvan SCE subsidie had verleend aan de bibliotheek, was door SCE vastgesteld en kwalificeerde daarom niet als een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:23 Awb. De Afdeling oordeelde dat er een nieuw besluit op bezwaar moest worden genomen, waarbij het bevoegdheidsgebrek hersteld zou kunnen worden. Daarbij werd overwogen dat SCE het gebrek in de wettelijke grondslag niet zelf kan repareren, maar de gemeenteraad dat wel kan bij gemeentelijke verordening.

Herstel van het bevoegdheidsgebrek

Na de uitspraak van 13 februari 2019 is de gemeente Eindhoven aan de slag gegaan om het geconstateerde bevoegdheidsgebrek te herstellen. Het college van burgemeester en wethouders heeft naar aanleiding van de uitspraak de (door SCE opgestelde) Subsidieregeling met terugwerkende kracht vastgesteld. Ook heeft het college alle reeds door SCE genomen besluiten over de toekenning van subsidie, waaronder het besluit van SCE over de subsidieverlening aan de bibliotheek, bekrachtigd als waren het besluiten van het college. Het college heeft voorts een nieuw besluit genomen op het bezwaar van de bibliotheek. Het bezwaar is gegrond verklaard en de verleende subsidie wordt (onder aanvulling van de motivering) gehandhaafd. Tot slot heeft het college mandaat verleend aan de directeur van SCE om de op grond van de Subsidieregeling genomen besluiten uit te voeren en af te wikkelen.

De uitspraak van 27 januari 2021

De bibliotheek is om begrijpelijke redenen nog steeds niet eens met het gehandhaafde subsidiebedrag en stelt daarom opnieuw beroep in. De nieuwe beslissing op bezwaar (ditmaal van het college) tegen het subsidiebesluit ligt daarmee weer bij de Afdeling voor. Dit heeft geleid tot de uitspraak van 27 januari 2021.

Als eerste beoordeelt de Afdeling of het bevoegdheidsgebrek nu hersteld is. Dat is volgens de Afdeling het geval. Het college ontleent aan artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening Eindhoven, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Gemeentewet, de bevoegdheid om subsidieregelingen vast te stellen. Daarom is de door het college (met terugwerkende kracht) vastgestelde Subsidieregeling, op grond waarvan het college de subsidieverlening aan de bibliotheek heeft bekrachtigd en het nieuwe besluit op bezwaar heeft genomen, een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb. Het college was en is dus bevoegd, op grond van de Subsidieregeling, een besluit (op bezwaar) te nemen over subsidieverstrekking aan de bibliotheek.

De Afdeling geeft voorlichting

Uit de uitspraak volgt dat het college heeft besloten om de bevoegdheid tot subsidieverlening voor de opvolgende subsidieperiode (2021-2024) aan SCE te delegeren. Hoewel eventuele toekomstige subsidieverleningen in deze uitspraak niet ter beoordeling voorliggen, gaat de Afdeling – voordat zij de rechtmatigheid van de nieuwe beslissing op bezwaar beoordeelt – in op de vraag of het college de bevoegdheid tot subsidieverlening wel kan delegeren aan SCE. De Afdeling doet dit ter voorkoming van verdere (juridische) procedures en misverstanden, mogelijk mede ingegeven door (het dictum in) de eerste uitspraak, en gelet op de omstandigheid dat in de praktijk uitdrukkelijk behoefte bestaat aan (meer) duidelijkheid over de mogelijkheid van gemeentelijke bestuursorganen om bevoegdheden aan privaatrechtelijke rechtspersonen te delegeren.

Delegatie van bevoegdheden door college aan privaatrechtelijke rechtspersoon niet mogelijk

De Afdeling komt vervolgens tot het oordeel dat delegatie van de bevoegdheid tot subsidieverlening door het college aan SCE niet mogelijk is. Hoewel de Grondwet daaraan niet in weg staat, verzet de Gemeentewet zich daar wel tegen. De Afdeling betrekt daarbij dat uit de wetgeschiedenis volgt dat de in de artikelen 156, 165 en 178 van de Gemeentewet neergelegde delegatiemogelijkheden limitatief zijn. Gezien dit gesloten stelsel van bevoegdheidstoedeling, is delegatie van de bevoegdheid tot subsidieverlening van het college aan SCE niet toegestaan.

Mandaat of bestuurscommissie wel mogelijk

Dat delegatie aan SCE niet mogelijk is betekent volgens de Afdeling niet dat de uitvoering van de Verordening niet in praktische zin op afstand zou kunnen worden geplaatst, indien de raad dat wenst. Zo kan de raad of het college aan SCE mandaat verlenen om, namens de raad of het college, op grond van de Verordening, besluiten te nemen. Ook kan SCE als een bestuurscommissie, als bedoeld in artikel 83 van de Gemeentewet, worden ingericht, waarna de raad of het college daaraan de bevoegdheid om, op grond van de Verordening, besluiten te nemen, kan delegeren.

Inhoudelijk oordeel over besluit op bezwaar

Tot slot komt de Afdeling toe aan de inhoudelijke beoordeling van het besluit op bezwaar. Dat besluit is volgens de Afdeling rechtmatig en het beroep van de bibliotheek is daarom ongegrond.

Conclusie

Delegatie van de bevoegdheid tot subsidieverlening door een college van burgemeester en wethouders aan een privaatrechtelijke rechtspersoon is volgens de Afdeling (vooralsnog) niet mogelijk. Wel zijn er alternatieven voorhanden voor het op afstand plaatsen van subsidieverlening. De Afdeling noemt de mogelijkheid tot het verlenen van mandaat om namens het college subsidiebesluiten te nemen of het instellen van een bestuurscommissie.

Vragen?

Als u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebt dan kunt u contact opnemen met mr. J. Wieland.

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld aanvaardt Stijl B.V. geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene kennisname en kan niet worden beschouwd als advies.

2021-08-03T11:36:29+02:00
Ga naar de bovenkant