Over Tristan Naber

Deze auteur heeft nog geen informatie verstrekt.
So far Tristan Naber has created 448 blog entries.

Didam-regels niet van toepassing bij verkoop roerende zaken in het kader van de uitvoering van bestuursdwang.

Zijn de Didam-regels ook van toepassing op de verkoop van roerende zaken in het kader van de uitvoering van bestuursdwang? Die vraag kwam voor het eerst aan de orde in een uitspraak van 4 februari 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:789). Jaap Wieland bespreekt in zijn noot in AB 2026/85 deze uitspraak, waarin de rechtbank vorenbedoelde vraag ontkennend beantwoord. Het is niet zozeer de aard van de verkochte goederen (roerend), als wel de aard van de transactie (de verkoop van goederen die niet tot het vermogen van de gemeente behoren) die maakt dat de Didam-regels niet van toepassing zijn.

Lees hier de noot die Jaap Wieland bij deze uitspraak schreef: AB 2026 85.

2026-04-14T16:15:08+02:00

Vier jaar Didam-regels: nieuwe puzzelstukjes

Het Didam-I arrest (ECLI:NL:RVS:2021:1778) is inmiddels alweer zo’n 4,5 jaar oud. Met dit arrest kwam een einde aan een lang bestaande praktijk waarin overheden vastgoed één-op-één verkochten aan marktpartijen. Het arrest heeft dan ook tot veel beroering geleid. Niet in de laatste plaats doordat in het arrest weliswaar een duidelijke verplichting voor overheden is geformuleerd om bij de verkoop van vastgoed mededingingsruimte te bieden, maar het arrest tegelijkertijd veel voor de praktijk relevante vragen onbeantwoord heeft gelaten. Dit betreft vragen over de reikwijdte van de Didam-regels, de geschiktheid van bepaalde selectiecriteria en de consequenties voor overeenkomsten die in strijd met de Didam-regels tot stand zijn gekomen. Anderhalf jaar geleden volgde het Didam II-arrest (ECLI:NL:HR:2024:1661). Gehoopt werd dat dit arrest veel in de praktijk levende vragen zou beantwoorden. Helaas maakte het Didam II-arrest de hooggespannen verwachtingen maar ten dele waar. Zo blijven vragen over de precieze reikwijdte van de Didam-regels grotendeels onbeantwoord. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er ook sinds het Didam II-arrest weer veel uitspraken van (vooral) lagere rechters over de Didam-regels zijn bijgekomen. Voor onze kantoorgenoten Truke en Jaap aanleiding om opnieuw op zoek te gaan naar ontbrekende stukjes van de Didam-puzzel die het afgelopen jaar zijn gelegd. Het eerste deel van dit onderzoek kun je lezen in het artikel dat vorige week is verschenen en dat hieronder op onze website te vinden is. Het tweede deel van het onderzoek verschijnt over een maand. Mocht je vragen hebben over de toepassing van de Didam-regels, neem dan gerust vrijblijvend contact op.

Download de publicatie: BR 2026/23

2026-04-07T16:12:37+02:00

Omgevingsvergunning; evidentiecriterium; exceptieve toetsing; bestemmingsplan; rechtszekerheidsbeginsel.

De ingewikkelde materie van exceptieve toetsing van een bestemmings-/omgevingsplanregel in een procedure over een omgevingsvergunning: daarover gaat een recente uitspraak van de Raad van State. De hoogste algemene bestuursrechter oordeelt in deze uitspraak dat de rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 18 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:465, een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. Thom Groot zet in het vaktijdschrift AB 2026/48 puntsgewijs uiteen waar het precies mis ging. Daarbij geeft hij een kort overzicht van de recente rechtspraak over exceptieve toetsing van een planregel in een procedure over een omgevingsvergunning. Meer weten?

Lees hier de noot die Thom Groot bij deze uitspraak schreef: AB 2026/48.

2026-03-10T16:30:59+01:00

Bestemmingsplan; belanghebbende; vastgoedeigenaar.

In een recente uitspraak oordeelt de Raad van State dat de opkomende vastgoedeigenaar in kwestie niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het besluit van de gemeenteraad van Den Haag tot vaststelling van het bestemmingsplan dat voorziet in een herontwikkeling van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot 1.200 woningen met voorzieningen. De Raad van State bouwt haar oordeel puntsgewijs op:

(1) de vastgoedeigenaar is geen concurrent,

(2) aan het doorlopen van een biedingsprocedure kan geen rechtstreeks belang worden ontleend en

(3) ook het betoog over de (on)uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan – met een beroep op het Didam-arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 – levert geen rechtstreeks belang op.

In het vaktijdschrift AB 2025/320 beziet Thom Groot de puntsgewijze argumentatie in breder verband door deze tegen bestaande rechtspraak te houden. Meer weten?

Lees hier de noot die Thom Groot bij deze uitspraak schreef: AB 2025/320.

2026-02-19T15:21:01+01:00

Voorkeursrecht; grondentrechter; hoger beroep; exceptieve toetsing; evident.

Een recente uitspraak van de Raad van State over een gevestigd voorkeursrecht voor de Dukatenburg 90 te Nieuwegein bevat twee interessante punten:

1) de grondentrechter geldt in deze zaak over een voorkeursrecht op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten niet én

2) in een procedure over een voorkeursrecht kan een ruimtelijk plan exceptief worden getoetst, maar geldt ook de zogenoemde hoge ‘evidentiedrempel.

In het vaktijdschrift AB 2025/327 bespreekt Thom Groot het punt van de grondentrechter (dat is de onmogelijkheid om in hoger beroep nieuwe beroepsgronden aan te voeren) en de uitzonderingen hierop. Meer weten? Zie bijgevoegde noot op onze website.

Lees hier de noot die Thom Groot bij deze uitspraak schreef: AB 2025/327.

2026-02-17T16:35:50+01:00

Bestemmingsplan; tussenuitspraak; einduitspraak; evenredigheid; beleidsregels.

De aandacht voor het evenredigheidsbeginsel in het bestuursrecht is onverminderd groot. Een recente bestemmingsplanzaak is een mooi voorbeeld van evenredigheidstoetsing in de sleutel van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij komt aan de orde welk bestuursorgaan precies bevoegd was om af te wijken van beleidsregels: het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant of de gemeenteraad. Op deze punten gaat Thom Groot in het vaktijdschrift AB 2025/312 in. Ook zet hij daarin het bredere ‘raamwerk’ van evenredigheidstoetsing uiteen in relatie tot de variant van evenredigheidstoetsing zoals die in deze planzaak voorligt. Tot slot behandelt hij de ontwikkeling van evenredigheidstoetsing in het omgevingsrecht sinds de bekende Harderwijk-uitspraak (Raad van State 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Meer weten?

Lees hier de noot die Thom Groot bij deze uitspraak schreef: AB 2025/312.

2026-02-10T12:36:29+01:00

Omgevingsvergunning. Brummen-jurisprudentie; partijenproces; vertrouwensbeginsel; onherroepelijke uitspraak.

Een uitspraak waarin het vertrouwensbeginsel en de zogenaamde Brummen-jurisprudentie (Raad van State 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801) samen komen, die is volgens Thom Groot het annoteren waard in het vaktijdschrift AB 2025/310. De Brummen-jurisprudentie, wat houdt die ook alweer in? In een vrij recente uitspraak van de Raad van State wordt dit helder uiteengezet: “het niet instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank waarin zij beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen tot gevolg heeft dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden.”

In de door Thom Groot geannoteerde uitspraak deed zich de situatie voor dat het college van Hollands Kroon een omgevingsvergunning voor een functiewijziging van een bijgebouw naar zelfstandige bewoning aanvankelijk had geweigerd. Met succes verzette de aanvrager zich daartegen in beroep bij de rechtbank, die oordeelde dat de weigering in strijd was met het vertrouwensbeginsel. Volgens de rechtbank was bij de aanvrager het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat aan het college kon worden toegerekend en dat moest worden gehonoreerd, aangezien geen sprake was van zwaarwegende belangen van omwonenden die aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan. Het college verleent vervolgens de omgevingsvergunning, maar de buurman is het daar niet mee eens en komt in (hoger) beroep. Dan rijst de vraag: welk gewicht komt toe aan de eerdere uitspraak van de rechtbank? Daarop is dus het antwoord van de Raad van State: géén. Appellant, de buurman, was namelijk geen partij in de procedure die leidde tot de uitspraak van de rechtbank én dit kan hem ook niet worden verweten. De Raad van State gaat daarom inhoudelijk in op het hoger beroep van de buurman – dat specifiek nog gaat over de belangenafweging – en oordeelt uiteindelijk dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning in stand kon blijven. Meer weten?

Lees hier de noot die Thom Groot bij deze uitspraak schreef: AB 2025/310.

2026-02-05T10:33:49+01:00
Ga naar de bovenkant