De drempel voor de bestuursrechter om terug te komen op een in een tussenuitspraak gegeven oordeel ligt (zeer) hoog. Dat blijkt uit een interessante einduitspraak van de Raad van State van 24 december jl., ECLI:NL:RVS:2025:6396.

 Wat is er aan de hand? Op 26 juni 2024 doet de enkelvoudige kamer van de Raad van State tussenuitspraak in een zaak over een op grond van de Wet natuurbescherming verleende vergunning voor een kunstmestfabriek in Terneuzen (ECLI:NL:RVS:2024:2595). De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de appellant ontvankelijk is in haar beroep, ondanks de fikse termijnoverschrijding van de beroepstermijn met ruim dertien maanden. Deze termijnoverschrijding is volgens de Raad van State verschoonbaar, omdat het college van gedeputeerde staten van Zeeland in strijd heeft gehandeld met artikel 3:44 Algemene wet bestuursrecht door de appellant niet het besluit toe te zenden, nadat zij tegen het ontwerpbesluit een zienswijze had ingediend. Daarbij betrekt de Raad van State ook dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat van de appellant niet kon worden verwacht dat zij zelf actief informeerde naar de stand van zaken, aangezien:

(1) de beslistermijn al meerdere keren door het college was opgeschort en daardoor onduidelijkheid bestond hierover, ook vanwege de rechtspraak van de Raad van State over de Programmatische Aanpak Stikstof, en

(2) de natuurvergunning betrekking had op het vastleggen van de bestaande bedrijfsactiviteiten en er dus geen voor derden waarneembare uiterlijke wijzigingen aan de kunstmestfabriek te zien zijn, terwijl

(3) de appellant zo spoedig mogelijk beroep heeft ingesteld als redelijkerwijs kon worden verwacht na het moment dat zij op de hoogte was geraakt van het bestaan van het besluit.

De zaak wordt vervolgens verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad van State vanwege de omvangrijke beroepsgronden. Die meervoudige kamer doet uitspraak op 24 december jl. Deze uitspraak is interessant, omdat de Raad van State terugkomt op dit oordeel in haar tussenuitspraak. De reden van dit terugkomen zet Thom Groot uiteen in zijn noot in het Tijdschrift voor Bouwrecht 2026/45 van het Instituut voor Bouwrecht. Daarbij deelt hij ook zijn rechtspraakanalyse over de mogelijkheid om terug te komen van een oordeel in een tussenuitspraak. Meer weten?

Lees hier de noot die Thom Groot bij deze uitspraak schreef: TBR 2026/45.