Het Didam-I arrest (ECLI:NL:RVS:2021:1778) is inmiddels alweer zo’n 4,5 jaar oud. Met dit arrest kwam een einde aan een lang bestaande praktijk waarin overheden vastgoed één-op-één verkochten aan marktpartijen. Het arrest heeft dan ook tot veel beroering geleid. Niet in de laatste plaats doordat in het arrest weliswaar een duidelijke verplichting voor overheden is geformuleerd om bij de verkoop van vastgoed mededingingsruimte te bieden, maar het arrest tegelijkertijd veel voor de praktijk relevante vragen onbeantwoord heeft gelaten. Dit betreft vragen over de reikwijdte van de Didam-regels, de geschiktheid van bepaalde selectiecriteria en de consequenties voor overeenkomsten die in strijd met de Didam-regels tot stand zijn gekomen. Anderhalf jaar geleden volgde het Didam II-arrest (ECLI:NL:HR:2024:1661). Gehoopt werd dat dit arrest veel in de praktijk levende vragen zou beantwoorden. Helaas maakte het Didam II-arrest de hooggespannen verwachtingen maar ten dele waar. Zo blijven vragen over de precieze reikwijdte van de Didam-regels grotendeels onbeantwoord. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er ook sinds het Didam II-arrest weer veel uitspraken van (vooral) lagere rechters over de Didam-regels zijn bijgekomen. Voor onze kantoorgenoten Truke en Jaap aanleiding om opnieuw op zoek te gaan naar ontbrekende stukjes van de Didam-puzzel die het afgelopen jaar zijn gelegd. Het eerste deel van dit onderzoek kun je lezen in het artikel dat vorige week is verschenen en dat hieronder op onze website te vinden is. Het tweede deel van het onderzoek verschijnt over een maand. Mocht je vragen hebben over de toepassing van de Didam-regels, neem dan gerust vrijblijvend contact op.

Download de publicatie: BR 2026/23