Een uitspraak waarin het vertrouwensbeginsel en de zogenaamde Brummen-jurisprudentie (Raad van State 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801) samen komen, die is volgens Thom Groot het annoteren waard in het vaktijdschrift AB 2025/310. De Brummen-jurisprudentie, wat houdt die ook alweer in? In een vrij recente uitspraak van de Raad van State wordt dit helder uiteengezet: “het niet instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank waarin zij beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen tot gevolg heeft dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden.”
In de door Thom Groot geannoteerde uitspraak deed zich de situatie voor dat het college van Hollands Kroon een omgevingsvergunning voor een functiewijziging van een bijgebouw naar zelfstandige bewoning aanvankelijk had geweigerd. Met succes verzette de aanvrager zich daartegen in beroep bij de rechtbank, die oordeelde dat de weigering in strijd was met het vertrouwensbeginsel. Volgens de rechtbank was bij de aanvrager het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat aan het college kon worden toegerekend en dat moest worden gehonoreerd, aangezien geen sprake was van zwaarwegende belangen van omwonenden die aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan. Het college verleent vervolgens de omgevingsvergunning, maar de buurman is het daar niet mee eens en komt in (hoger) beroep. Dan rijst de vraag: welk gewicht komt toe aan de eerdere uitspraak van de rechtbank? Daarop is dus het antwoord van de Raad van State: géén. Appellant, de buurman, was namelijk geen partij in de procedure die leidde tot de uitspraak van de rechtbank én dit kan hem ook niet worden verweten. De Raad van State gaat daarom inhoudelijk in op het hoger beroep van de buurman – dat specifiek nog gaat over de belangenafweging – en oordeelt uiteindelijk dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning in stand kon blijven. Meer weten?
Lees hier de noot die Thom Groot bij deze uitspraak schreef: AB 2025/310.